vrijdag 23 juni

AsserJournaal
Uitg. Press Support

Red. Jan en Leni Hof

Tel: (0592) 37 10 17
info@asserjournaal.nl

AsserJournaal
Weather state: zwaar bewolktzwaar bewolkt
WZW
26 km/h
max: 21°C
min: 15°C
Kort nieuws
Gezondheidszorg 19 januari 2017

Eerste Nierteams aan Huis van start bij UMCG 

ASSEN - Familieleden en vrienden krijgen thuis voorlichting over de nieraandoening van hun naaste. Op verschillende plaatsen in het land zijn onlangs acht nieuwe Nierteams aan Huis van start gegaan. Nierteam aan Huis, een landelijk project van vier universiteitsziekenhuizen en vier algemene ziekenhuizen, komen bij patiënten met nierziekten thuis om aan hun familie, vrienden en kennissen voorlichting te geven over de impact en behandeling van een nierziekte. Ook vanuit het UMCG is een Nierteam aan Huis actief. Het project is gesubsidieerd door Zorgverzekeraars Nederland en de Nierstichting. Het Erasmus MC leidt het project.
De Nierteams aan Huis bestaan uit speciaal voor dit doel getrainde transplantatiecoördinatoren, psychologen en medisch maatschappelijk werkers, die bij families thuis komen. Voor de bijeenkomsten worden familieleden en naasten uitgenodigd die voorlichting krijgen over de aandoening van de patiënt. Op die manier wordt de directe omgeving van de patiënt nauw betrokken bij de impact die de nierziekte heeft.
Jan-Stephan Sanders, internist-nefroloog in het UMCG:”Nierschade zet het leven van patiënten op zijn kop. Ze krijgen te maken met onzekerheid en verlies van regie en vragen zich af hoe het verder gaat met hun leven en dat van hun naasten'. Goede voorlichting helpt hen om samen met hun sociale omgeving tot een oplossing komen.’’
Uit onderzoek naar twee eerdere Rotterdamse pilotprojecten met Nierteams aan Huis, blijkt niet alleen dat patiënten en hun naasten meer kennis kregen over de nierziekte, maar ook dat passende behandelingen bespreekbaar werden. Meest opvallend was dat in de patiëntengroepen waar voorlichting werd gegeven, aanzienlijk meer transplantaties met een nier van een levende donor werden geteld.
Vier keer meer niertransplantatie
In deze groepen kregen maar liefst vier keer meer patiënten een niertransplantatie dan in de controlegroep van patiënten waar geen voorlichting werd gegeven. Het lijkt erop dat familie en vrienden het doneren van een nier sneller overwegen als zij goede voorlichting krijgen over de ziekte van hun naaste en over de behandelingen die mogelijk zijn.
Het nieuwe project dat nu van start is gegaan, moet uitwijzen of Nierteams aan Huis ook in een bredere context kunnen bijdragen aan een toename van het aantal nierdonaties bij leven. Ook wordt gekeken of de voorlichting kosteneffectief is, zodat die in het standaard verzekeringspakket voor ziektekosten kan worden opgenomen. Een niertransplantatie in een vroeg stadium bespaart niet alleen de nierpatiënt veel leed, het bespaart ook kosten voor ziekteverzuim en zorgkosten door het voorkomen van dialysebehandelingen. De Nierteams aan Huis werken nauw samen met tolkenbureau Concorde, zodat tolken kunnen worden ingezet wanneer voorlichting wordt gegeven in families die de Nederlandse taal niet goed beheersen. Het project zal drie jaar lopen. In die tijd worden de voorlichtingsbijeenkomsten van de Nierteams aan Huis gemonitord en wetenschappelijk onderzocht op doelmatigheid en kosteneffectiviteit.

 

 

 

 

Gezondheidszorg 5 januari 2017

 

 

 

Vaak psychische stress na levertransplantatie

ASSEN - Ongeveer een derde deel van de volwassen levertransplantatiepatiënten in Nederland ervaart psychologische problemen, zoals symptomen van angst, depressie of posttraumatische stress (PTS). Deze problemen komen onder andere door bijwerkingen van noodzakelijke medicatie en door ziektesymptomen. Dit blijkt uit onderzoek van verpleegkundige en onderzoeker Coby Annema van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zij promoveert op 9 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Een levertransplantatie is een ingrijpende gebeurtenis in iemands leven. Hoewel een transplantatie, in het algemeen, een positieve invloed heeft op iemands gezondheid en kwaliteit van leven, gaat het transplantatieproces ook gepaard met veel stress. Dit komt doordat een patiënt een levensbedreigende ziekte heeft, moet wachten op een geschikt donororgaan en een ingrijpende operatie moet ondergaan. Na de transplantatie moet de patiënt leven volgens strikte richtlijnen, vaak levenslang medicatie nemen en is er altijd een risico op verschillende medische complicaties. Ondanks dat in Nederland al sinds 1979 levertransplantaties verricht worden, is er nog maar weinig bekend over het psychologisch functioneren van levertransplantatiepatiënten. In haar onderzoek ging Coby Annema dit na om hiermee de psychosociale zorg voor levertransplantatiepatiënten, zowel voor als na de transplantatie, te kunnen optimaliseren. 

Psychische problemen bij derde van patienten
Annema deed onderzoek onder 281 patiënten die, tussen 1979 en 2009, een levertransplantatie hebben ondergaan in het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hieruit bleek dat psychologische problemen niet alleen op korte termijn maar ook op lange termijn na transplantatie aanwezig zijn. Meer dan 35% van de patiënten die langer dan 10 jaar geleden getransplanteerd zijn rapporteren psychologische problemen, met name angst (33%) en depressie (23%).
Lagere kwaliteit van leven en minder therapietrouw
Uit een studie van Annema onder 260 patiënten van alle Nederlandse levertransplantatiecentra, blijkt dat 49% van de wachtlijstpatiënten symptomen van angst ervaart, 34% depressieve symptomen en 32% symptomen van PTS. Patiënten die eenmaal last hebben van angst of depressie blijven dit houden gedurende de gehele wachtlijstperiode. De transplantatie heeft een positieve invloed op hun psychologische functioneren, maar een deel blijft last houden van psychologische problemen (23% angst, 29% depressie, 15% PTS) in de eerste twee jaren na de transplantatie. Een deel van deze klachten komt door klinische variabelen zoals ziektesymptomen en bijwerkingen van de medicatie. Ook individueel bepaalde kenmerken, zoals de manier van omgaan met problemen en het gevoel van controle, leiden tot psychische problemen.
Annema onderscheidt verschillende trajecten. Annema laat zien dat patiënten die na de transplantatie last blijven houden van klachten van angst en depressie, aangeven een lagere kwaliteit van leven te hebben en minder therapietrouw te zijn.

Belang psychische begeleiding
Volgens Annema benadrukken de resultaten het belang van psychosociale screening en ondersteuning in de zorg voor levertransplantatiepatiënten gedurende het gehele transplantatieproces. Zij adviseert vroegtijdig in het transplantatieproces te screenen op psychologische problemen en dit te blijven doen tijdens het gehele transplantatietraject.
Op basis hiervan kunnen psychosociale ondersteuning geboden worden. Zij adviseert tevens om psychologisch of psychiatrisch georiënteerde hulpverlener aan het transplantatieteam toe te voegen.

 

 

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image020.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image027.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image028.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image029.jpg@01D19BC7.1715D900

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image030.jpg@01D19BC7.1715D900

 

 

 

 

 

 


 

Gezondheidszorg 12 december 2016
Geneticus UMCG treedt toe exclusief genootschap jonge topwetenschappers

ASSEN - UMCG-onderzoeker Lude Franke treedt toe tot De Jonge Akademie (DJA). Dat is een platform binnen de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen met jonge topwetenschappers die een vernieuwende visie hebben op wetenschap en wetenschapsbeleid. Elk jaar kiest DJA 10 nieuwe leden uit onderzoekers die minder dan 10 jaar geleden zijn gepromoveerd.
L
eden beschikken over bewezen wetenschappelijke kwaliteit en over een brede belangstelling voor wetenschapsbeoefening en wetenschapscommunicatie. Het lidmaatschap duurt vijf jaar. De officiële installatie van de nieuwe leden vindt plaats op 8 juni 2017 in Amsterdam.
Prof. dr. Lude Franke
Lude Franke (1980, genetica en bio-informatica) is statistisch geneticus en als adjunct-hoogleraar verbonden aan de afdeling Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hij onderzoekt daar genetische ziektes door met statistiek, biologie en informatica te speuren naar patronen en afwijkingen in het DNA.
Hij pleit voor open access en open data in combinatie met de bescherming van individuen. 
Franke presenteert ingewikkelde gegevens en grote hoeveelheden data graag toegankelijk voor een groter publiek: hij is naast onderzoeker ook grafisch ontwerper. Hij ontving diverse onderzoekbeurzen, waaronder een ERC Starting Grant (2014), een NWO VIDI-beurs (2014), een NWO VENI-beurs (2009) en een Horizon-beurs (2009).
 
 
 

 

 
 
 
 
 
 
 

 
Gezondheidszorg 8 december 2016

Nieuwe applicatie zorgt voor slimmer screenen van psychische klachten

ASSEN -E en nieuwe applicatie zorgt ervoor dat hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg efficiënter kunnen screenen of iemand psychische problemen heeft. Het gaat om een ‘slimme’ digitale vragenlijst, waarbij het antwoord op een vraag bepaalt welke volgende vraag wordt gesteld. Hierdoor kan met veel minder vragen toch een betrouwbare schatting van de ernst van psychische klachten worden gemaakt. Doordat klachten eerder herkend worden, kan verergering van de klachten mogelijk voorkomen worden. Vanaf februari 2017 wordt de applicatie in een pilot-studie getest bij de beoogde gebruikers: huisartsen en praktijkondersteuners GGZ in de huisartsenpraktijk. Psycholoog Jan van Bebber van het UMCG licht op 13 december in Enschede het ‘slimmer screenen’ toe op een congres van het Rob Giel Onderzoekscentrum over ‘Preventieve GGZ'.
In samenwerking tussen UMCG met de TU Twente is een statistische module ontwikkeld die het hart vormt van de screeningsapplicatie. Het ‘slimme’ aan deze applicatie is dat bij iedere vraag wordt nagegaan, welke vervolgvraag het beste past bij de eerder gegeven antwoorden van de cliënt. Dit is vergelijkbaar met  wat een geschoolde en ervaren interviewer ook doet. Als de ernst van het probleem voldoende betrouwbaar kan worden vastgesteld, stopt de screening.
Dit scheelt de cliënt veel tijd en frustratie omdat hij of zij niet meer allerlei niet-relevante vragen hoeft te beantwoorden. De applicatie zal in de praktijk meestal voorafgaand aan een intake gesprek met cliënten worden ingezet om de aanwezigheid en/of ernst van klachten te bepalen.
De eerste versie van de applicatie bevat de volgende vijf domeinen: angst, depressie, psychische symptomen van stress, positieve en negatieve symptomen van psychose. Ook positieve factoren als emotionele steun, vriendschap en tevredenheid met sociale rollen en activiteiten worden gemeten, omdat deze een effect hebben op de zorgbehoefte die iemand met psychische klachten heeft.
Jan van Bebber wil de komende periode in de pilot onderzoeken of de nieuwe applicatie in de praktijk goed bruikbaar is en of het voor een huisarts of GGZ-medewerker goed interpreteerbare gegevens oplevert. Daarnaast zal de applicatie uitgebreid worden met modules voor traumatische ervaringen en verslavingsproblemat

Gezondheidszorg 7 december 2016

Geen schadelijke langetermijn effecten ADHD-medicatie op het brein

ASSEN - ADHD-medicatie leidt op lange termijn niet tot schadelijke effecten op de ontwikkeling van het brein van kinderen. Bovendien blijkt dat kinderen met ADHD die medicatie gebruiken dezelfde ontwikkeling laten zien in hun gedrag als kinderen met ADHD die geen medicatie gebruiken. Dit blijkt uit onderzoek van hersenonderzoeker Lizanne Schweren van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zij promoveert op 14 december aan de Rijksuniversiteit Groningen op de langetermijneffecten van medicatie bij kinderen met ADHD.
ADHD (attention-deficit/hyperactivity disorder) is een veelvoorkomende ontwikkelingsstoornis die wordt gekenmerkt door aandachtsproblemen, impulsiviteit en hyperactiviteit. ADHD wordt vaak al gediagnosticeerd in de kindertijd en de problemen zetten zich vaak voort in de adolescentie en volwassenheid. De exacte oorzaak van ADHD is niet bekend. Waarschijnlijk leveren veel verschillende factoren, inclusief genetische- en omgevingsfactoren, elk een kleine bijdrage aan het ontstaan en het beloop van de stoornis. ADHD wordt in verband gebracht met veranderingen in het dopaminesysteem. Ook blijkt uit studies dat bepaalde hersengebieden of hersensystemen bij mensen met ADHD subtiel afwijken.
Langetermijneffecten ADHD-medicatie
In de afgelopen decennia is het gebruik van ADHD-medicatie, met name stimulantia als Ritalin, toegenomen. Velen vragen zich af of het verstandig is kinderen bloot te stellen aan medicatie waarvan het lange-termijn effect op de hersenontwikkeling niet bekend is. In haar proefschrift beschrijft Lizanne Schweren de resultaten van onderzoek naar de lange termijn effecten van ADHD-medicatie op het zich ontwikkelende brein. Zij onderzocht daartoe de hersenstructuur en -functie van in totaal zo’n 1000 kinderen, jongeren en jong-volwassenen, waarvan er ruim 400 ADHD hadden. De meeste van deze kinderen hadden ooit in hun leven ADHD-medicatie gebruikt,  maar er waren grote verschillen in de mate van gebruik. Sommigen hadden slechts een enkele keer medicatie gebruikt, terwijl anderen gedurende vele jaren dagelijks medicatie gebruikten.
Uit het onderzoek van Schweren blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor schadelijke langetermijneffecten van ADHD-medicatie op de ontwikkeling van het brein. Medicatiegebruik leidt niet tot veranderingen in de dikte van de hersenschors, die in een deel van het brein bij kinderen of jongeren met ADHD wat dunner bleek. Ook had medicatiegebruik geen relatie met het volume van de frontaalschors, die bij ADHD’ers vaak wat kleiner is. In haar onderzoek vindt Schweren dus, in tegenstelling tot eerdere onderzoeken, geen bewijs dat langdurig medicatiegebruik de ontwikkeling van het brein normaliseert. Alleen in een specifieke subgroep van kinderen met ADHD vindt Schweren wel een subtiel effect van medicatie. Deze lijkt eerder positief dan negatief te zijn.
Schweren laat tevens zien dat ADHD-medicatie geen langetermijneffect heeft, positief dan wel negatief, op verstandelijk en sociaal-emotioneel functioneren. Kinderen met ADHD die medicatie gebruiken laten dezelfde ontwikkeling zien in hun gedrag als kinderen met ADHD die geen medicatie gebruiken.
Belang voor artsen en oudersUit het onderzoek van Schweren blijkt een opvallende afwezigheid van lange-termijn effecten op gedragsniveau. Volgens Schweren is het voor artsen dan ook van groot belang om met jongeren en hun ouders te bespreken dat ADHD-medicatie waarschijnlijk de symptomen van ADHD zal verminderen, maar op lange termijn niet zal leiden tot een betere uitkomst. 
Zij dienen zich volgens Schweren goed te realiseren, dat bij zowel de kinderen die wel als geen medicatie hebben gebruikt de symptomen afnemen  als ze ouder worden. Ze worden dus niet sneller of 'meer' beter door langdurige medicatie, en ook niet langzamer of minder.

 

 

 

Gezondheidszorg 26 november 2016

Kind met depressieve ouder hoog risico op depressie.

ASSEN - Kinderen met een ouder met een depressie of angststoornis hebben een hoog risico zelf depressief te worden of een angststoornis te krijgen. Dat blijkt uit onderzoek van promovendus Petra Havinga van het UMCG. Ze benadrukt dat mogelijke problemen bij deze kwetsbare groep kinderen vroeg moeten worden gesignaleerd, om het ontstaan van psychische klachten te kunnen voorkomen of de ernst ervan te verminderen. Havinga publiceert hierover vandaag op de website van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Clinical Psychiatry.
‘Eerder regel dan uitzondering’ noemt Havinga de ontwikkeling van een stemmings- of een angststoornis bij kinderen van depressieve of angstige patiënten. Dat de verhoogde kans er is, bleek al uit eerder onderzoek. Maar hoe groot de kans is, en welke kenmerken het hoogste risico voorspellen, was nog niet eerder in Nederland op deze schaal onderzocht.
Havinga gebruikte voor haar onderzoek de gegevens van de ARIADNE studie. Deze studie startte in 2000 met 523 jongeren in de leeftijd van 13 tot en met 25 jaar met een ouder die in het verleden is behandeld voor een depressie of angststoornis. Nog altijd wordt ongeveer de helft van de oorspronkelijke groep jongeren (inmiddels volwassen geworden) gevolgd in hun ontwikkeling.
Havinga drie groepen met een extra hoog risico op het ontwikkelen van een deze psychische klachten: meisjes en jonge vrouwen. i
Uit het onderzoek  bleek dat de geschatte kans dat een jongere op 20-jarige leeftijd zelf een stemmings- of angststoornis ontwikkelt 38 procent is. Op 35-jarige leeftijd was dat zelfs 65 procent. Havinga noemt de percentages ‘zorgwekkend hoog’. 
Daarnaast onderscheidde nderen met een ouder bij wie depressie of angst voor het twintigste levensjaar is ontstaan en kinderen die zijn opgegroeid in een gezin waarin beide ouders een depressie hebben of angstig zijn.
Havinga pleit voor preventie bij deze groep jonge mensen. “Bij depressie en angst is preventie erg belangrijk. Eenmaal ontwikkeld, is het riciso op herhaling of terugval namelijk erg groot. Voorkomen is dus ook hierbij beter dan behandelen.”
Het in beeld brengen van risicogroepen is een eerste belangrijke stap in preventie. “Via de ouder die zelf wordt behandeld vanwege psychische problemen zijn deze kinderen relatief gemakkelijk te identificeren”, zegt ze. “Eenmaal in beeld, kunnen GGz-medewerkers ouders vragen hoe het gaat met de kinderen, ouderschap bespreekbaar maken en hen informeren over de mogelijkheden van ouderschapsondersteuning, preventie en behandeling. Op deze manier weten ouders de weg wanneer ze behoefte hebben aan ondersteuning of wanneer zich bij hun kinderen klachten voordoen.”
Aandacht voor kinderen en ouderschap zou een standaard onderdeel moeten zijn van de dagelijkse behandelpraktijk binnen de geestelijke gezondheidszorg, adviseert Havinga. “We zien dat ouders met psychische problemen terughoudend kunnen zijn in het vragen van ondersteuning bij de opvoeding en hulp voor hun kind. Schaamte, angst voor stigma of voor verlies van ouderlijk gezag kunnen dit veroorzaken. Actief aandacht hebben voor deze thema’s kan helpen om stigma en schaamte bij de ouder verminderen.” Bovendien kan een goed functionerende gezinsomgeving het risico op het ontwikkelen van problemen juist verminderen.
Havinga: “In mijn onderzoek waren dat gezinnen die zich goed kunnen aanpassen aan veranderingen, zoals de ziekte van een van de kinderen, een verhuizing of werkloosheid, en gezinnen waarin de gezinsleden zich onderling betrokken bij elkaar voelen, terwijl er tegelijkertijd ook ruimte is voor het individu.”

 

 

 

 

 

 

 

 

Gezondheidszorg 18 november 2016

Minder zout houdt hart en nieren van nierpatiënten langer gezond.

ASSEN - Bij patiënten met chronische nierschade zorgt een zoutbeperkt dieet voor minder nierschade en een lagere bloeddruk. Toevoegen van het geneesmiddel paricalcitol, een kunstmatige vorm van vitamine D, leidt bij deze patiënten tot een geringe verdere afname van eiwitverlies in de urine. Paricalcitol alleen heeft geen significant effect op deze factoren. Dit blijkt uit onderzoek dat is uitgevoerd in vijf Nederlandse ziekenhuizen onder leiding van nefroloog dr. Martin de Borst van het UMCG. Het onderzoek wordt vandaag online gepubliceerd in Journal of the American Society of Nephrology (JASN).

Het verlies van eiwitten, waaronder albumine, in de urine (albuminurie) is een kenmerk van chronische nierschade. Behandelingen die de albuminurie verminderen zorgen ervoor dat de nierfunctie minder snel achteruitgaat. Ze hebben ook een gunstig effect op het hart en de bloedvaten. Helaas kunnen de behandelingen die momenteel beschikbaar zijn voor patiënten met chronische nierschade de albuminurie niet altijd volledig doen verdwijnen. Hierdoor hebben deze patiënten last van 'rest-albuminurie'.

Onderzoekers onder leiding van Martin de Borst gingen het effect na van twee interventies die mogelijkheden boden voor het verminderen van deze rest-albuminurie: een zoutbeperkt dieet en het geneesmiddel paricalcitol dat de vitamine D-receptor activeert. Ook de combinatie van deze twee interventies werd onderzocht. Bij 45 patiënten met chronische nierschade voegde zij tijdens vier perioden van acht weken deze interventies toe aan de gebruikelijke behandeling.
Uit het onderzoek van De Borst bleek dat een zoutarm dieet leidde tot een duidelijke vermindering in rest-albuminurie en een lagere bloeddruk, terwijl paricalcitol slechts een gering effect had op deze factoren. De combinatie van paricalcitol en een zoutarm dieet leidde tot de laagste mate van albuminurie. “Dit laatste werd vooral veroorzaakt door het beschermende effect van het zoutbeperkte dieet”, vertelt De Borst.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) raadt aan om slechts 5 gram zout per dag te gebruiken, maar de gemiddelde zoutinname in Nederland is bijna het dubbele. Ook de deelnemers aan dit onderzoek aten gemiddeld 10 gram zout per dag. Na de interventie gericht op het verminderen van de zoutinname consumeerden de patiënten 6 gram zout per dag. “Deze kleine beperking in zoutinname leidde dus al tot een flinke vermindering in albuminurie en een lagere bloeddruk. Dit duidt er op dat zelfs een kleine beperking in de dagelijkse zoutconsumptie al leidt tot grote gezondheidsvoordelen ', aldus De Borst.

Het onderzoek, dat onder andere werd gefinancierd door de Nierstichting, is uitgevoerd in vijf ziekenhuizen in Nederland en werd gecoördineerd vanuit het UMCG. Lees hier het volledige onderzoek.

 

 

 

Gezondheidszorg 14 november 2016
Voorspellers van psychisch verzuim vastgesteld

Voorspellers van verzuim dat een psychische achtergrond heeft, zijn een leeftijd boven 50 jaar, een hoog opleidingsniveau en een depressieve en een hoge klachtbeleving. Werknemers die uitvallen door psychische klachten, hebben een twee keer zo groot risico op verlies van hun baan. Dit blijkt uit het proefschrift van Giny Norder, bedrijfsarts bij ArboNed en UMCG-promovenda.
Zij deed onderzoek naar factoren die de duur van verzuim door psychische klachten voorspellen en over factoren die samenhangen met een terugval. Zij promoveert op 16 november aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Langdurig verzuim verminderen
Psychische stoornissen zijn de oorzaak van een aanzienlijk deel van het langdurig verzuim en de belangrijkste reden voor een WIA-uitkering voor werknemers jonger dan 55 jaar. Doel van het onderzoek van Norder was om de huidige kennis over voorspellers van psychisch verzuim te vergroten. “Kennis over de risicofactoren helpt bedrijfsartsen werknemers eerder en gericht te verwijzen naar een behandeling of interventie die gericht is op de vermindering van langdurig verzuim”, aldus Norder. Uit haar onderzoek blijken de risicofactoren die een verzuim langer dan drie maanden voorspellen, te zijn: een leeftijd boven 50 jaar, een hoog opleidingsniveau en depressieve en een hoge klachtbeleving.
Begeleiding ook na herstel noodzakelijk
Werknemers die uitvallen door psychische klachten, hebben een groter risico op baanverlies: 18% van de werknemers verloor in een periode van vijf jaar hun baan, in vergelijking met 9% van de werknemers zonder ziekteverzuim door psychische klachten. Norder laat in haar onderzoek zien dat in het eerste jaar de werknemers zelf de beslissing nemen om weg te gaan, terwijl zij in jaar 2-5 vaak worden ontslagen vanwege disfunctioneren in hun werk.
Als werknemers hersteld zijn na psychische klachten, blijft begeleiding noodzakelijk. Uit het onderzoek van Norder blijkt dat van de groep werknemers die hersteld is, 28% opnieuw te maken krijgt met verzuim door psychische klachten, vaak binnen twaalf maanden. Bij werknemers binnen deze groep die ouder zijn dan 55 jaar, valt het merendeel zelfs binnen vier maanden opnieuw uit.
Zij pleit er daarom voor om hun psychische gezondheid en hun functioneren in het werk te goed monitoren. Norder: “Dit kan op een goede manier via preventieve spreekuren van bedrijfsartsen. Hier kunnen zij evalueren of het werk nog steeds aan de capaciteiten en waarden van de betrokkene voldoet. Ook via preventief medische onderzoeken, de PMO’s, is de gezondheid goed te volgen”.

 

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image004.jpg@01D19BC7.1715D900

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 

 

 

 

 


 

 

Voorspellers van psychisch verzuim vastgesteld

 

Voorspellers van verzuim dat een psychische achtergrond heeft, zijn een leeftijd boven 50 jaar, een hoog opleidingsniveau en een depressieve en een hoge klachtbeleving. Werknemers die uitvallen door psychische klachten, hebben een twee keer zo groot risico op verlies van hun baan. Dit blijkt uit het proefschrift van Giny Norder, bedrijfsarts bij ArboNed en UMCG-promovenda. Zij deed onderzoek naar factoren die de duur van verzuim door psychische klachten voorspellen en over factoren die samenhangen met een terugval. Zij promoveert op 16 november aan de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Langdurig verzuim verminderen

Psychische stoornissen zijn de oorzaak van een aanzienlijk deel van het langdurig verzuim en de belangrijkste reden voor een WIA-uitkering voor werknemers jonger dan 55 jaar. Doel van het onderzoek van Norder was om de huidige kennis over voorspellers van psychisch verzuim te vergroten. “Kennis over de risicofactoren helpt bedrijfsartsen werknemers eerder en gericht te verwijzen naar een behandeling of interventie die gericht is op de vermindering van langdurig verzuim”, aldus Norder. Uit haar onderzoek blijken de risicofactoren die een verzuim langer dan drie maanden voorspellen, te zijn: een leeftijd boven 50 jaar, een hoog opleidingsniveau en depressieve en een hoge klachtbeleving.

 

Begeleiding ook na herstel noodzakelijk

Werknemers die uitvallen door psychische klachten, hebben een groter risico op baanverlies: 18% van de werknemers verloor in een periode van vijf jaar hun baan, in vergelijking met 9% van de werknemers zonder ziekteverzuim door psychische klachten. Norder laat in haar onderzoek zien dat in het eerste jaar de werknemers zelf de beslissing nemen om weg te gaan, terwijl zij in jaar 2-5 vaak worden ontslagen vanwege disfunctioneren in hun werk.

 

Als werknemers hersteld zijn na psychische klachten, blijft begeleiding noodzakelijk. Uit het onderzoek van Norder blijkt dat van de groep werknemers die hersteld is, 28% opnieuw te maken krijgt met verzuim door psychische klachten, vaak binnen twaalf maanden. Bij werknemers binnen deze groep die ouder zijn dan 55 jaar, valt het merendeel zelfs binnen vier maanden opnieuw uit. Norder pleit er daarom voor om hun psychische gezondheid en hun functioneren in het werk te goed monitoren. Norder: “Dit kan op een goede manier via preventieve spreekuren van bedrijfsartsen. Hier kunnen zij evalueren of het werk nog steeds aan de capaciteiten en waarden van de betrokkene voldoet. Ook via preventief medische onderzoeken, de PMO’s, is de gezondheid goed te volgen”.

 

Curriculum vitae

Drs. L Norder (Assen, 1965) studeerde geneeskunde in Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek aan het onderzoeksinstituut SHARE van het Universitair Medisch Centrum Groningen. De titel van haar proefschrift is: ‘Common mental disorders. Prediction of sickness absence durations and recurrences’  Zij werkt als bedrijfsarts bij ArboNed.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image020.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image027.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image028.jpg@01D19BC7.1715D900Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image029.jpg@01D19BC7.1715D900

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: cid:image030.jpg@01D19BC7.1715D900

 

 

 

 

 

 


De inhoud van dit bericht is vertrouwelijk en alleen bestemd voor de geadresseerde(n). Anderen dan de geadresseerde(n) mogen geen gebruik maken van dit bericht, het niet openbaar maken of op enige wijze verspreiden of vermenigvuldigen. Het UMCG kan niet aansprakelijk gesteld worden voor een incomplete aankomst of vertraging van dit verzonden bericht.

The contents of this message are confidential and only intended for the eyes of the addressee(s). Others than the addressee(s) are not allowed to use this message, to make it public or to distribute or multiply this message in any way. The UMCG cannot be held responsible for incomplete reception or delay of this transferred message. 

Gezondheidszorg 9 november 2016

Essentiële medicijnen wel betaalbaar, niet beschikbaar

Er is wereldwijd genoeg geld om iedereen van essentiële medicijnen te voorzien, maar dat geld wordt dermate oneerlijk verdeeld dat een kwart van de wereldbevolking geen toegang heeft tot de 200 basismedicijnen. Tot die conclusie komt de Lancet Commission on Essential Medicines Policies, waarvan  hoogleraar Global Health Hans Hogerzeil en promovendus Ellen ’t Hoen van het Universitair Medisch Centrum Groningen deel uit maken. De commissie brengt vandaag een rapport uit in het wetenschappelijke tijdschrift in The Lancet over de toegankelijkheid van geneesmiddelen in de wereld .
Driekwart van alle lage-inkomenslanden en een kwart van de midden-inkomsenslanden heeft niet genoeg geld om de bevolking te voorzien van de belangrijkste basisgeneesmiddelen, zoals morfine,  insuline en medicijnen ter behandeling van HIV, malaria of tuberculose. De commissie maakte een schatting van de kosten om alle mensen in lage- en midden-inkomenslanden van 200 basisgeneesmiddelen te voorzien en kwam uit op een bedrag van 13 tot 25 dollar per persoon per jaar.  Wereldwijd wordt dit bedrag minstens acht keer uitgegeven. Het is dus geen kwestie van een gebrek aan geld, concludeert de commissie, maar een gebrek aan eerlijkheid, solidariteit en mensenrechten.
De commissie, waarvan Hogerzeil een van de voorzitters was, doet in het rapport aanbevelingen aan regeringen in lage- en middeninkomenslanden, de WHO en de Verenigde Naties, maar benadrukt dat dit niet een probleem is dat alleen de ontwikkelingslanden aangaat. Dit is een internationaal probleem dat een grote, internationale samenwerking vereist.  Bijvoorbeeld om het patent-gebaseerde systeem te veranderen, waarbij geneesmiddelenfabrikanten bepalen welke geneesmiddelen er ontwikkeld worden.
Het huidige systeem geeft de industrie een monopolypositie. Dat leidt niet alleen tot hoge prijzen van geneesmiddelen, maar leidt ook tot veel  onderzoek naar geneesmiddelen waarmee hoge winsten te behalen zijn, in plaats van naar de middelen waar de meeste behoefte aan is. Het veranderen van dit systeem is niet alleen in het belang van armere ontwikkelingslanden, maar ook van welvarende landen als Nederland. Ook hier worstelen we met torenhoge prijzen van medicijnen tegen kanker, de ziekte van Pompe en de ziekte van Fabry, die honderdduizenden euro’s per jaar kosten.
Een van de aanbevelingen van de Lancet Commissie is om een ‘patent pool’  voor essentiële geneesmiddelen te maken, dat patentlicenties van patenthouders verkrijgt door onderhandeling, en deze aan meerdere producenten beschikbaar stelt tegen een kleine vergoeding. Een patent pool zorgt er zo voor dat goedkope versies van nieuwe geneesmiddelen snel beschikbaar komen.
De aanbevelingen van de Lancet Commissie, die zijn gebaseerd op bijna drie jaar wetenschappelijk onderzoek naar de meest recente gegevens en bewijsstukken, zijn stuk voor stuk aanbevelingen voor de lange termijn. Naar verwachting zal het internationale geneesmiddelenbeleid van de komende twintig jaar onder invloed van onder andere dit rapport aangepast worden. 

Gezondheidszorg 26 oktober 2016

UMCG en Certe richten eerste Transmurale Trombose Expertise Centrum op

ASSEN - De afdeling Hematologie van het UMCG en Certe Trombosedienst gaan de bestaande samenwerking op het gebied van antistollingszorg formaliseren in het Transmuraal Trombose Expertise Centrum Groningen. Doel van dit expertisecentrum is om in het hele noorden gezamenlijk goede en veilige ketenzorg voor patiënten met trombose te ontwikkelen. Waar mogelijk wordt de zorg vernieuwd en goedkoper gemaakt. Vandaag ondertekenen de organisaties een samenwerkingsovereenkomst voor de oprichting van het expertisecentrum.

Richtlijnen voor het gebruik van antistollingsmedicijnen bij patiënten met trombose zijn niet altijd goed op elkaar afgestemd en de trombosezorgketen is landelijk gezien nog onvoldoende geborgd. In de daarom opgestelde Stuurgroep Landelijke Standaard Ketenzorg Antistolling (LSKA) wordt geadviseerd de zorg binnen de keten van huisartsen-, ziekenhuis- en academische zorg beter op elkaar af te stemmen en binnen ieder regionaal samenwerkingsverband een Trombose Expertise Centrum in te richten.
Noord-Nederland is nu de eerste regio waarin de samenwerking op het gebied van antistollingszorg wordt geformaliseerd in een expertisecentrum. In het noorden treffen huisartsen, apothekers, specialisten ouderenzorg en medisch specialisten elkaar al regelmatig in de Vereniging Regiotafel Antistolling Groningen. Gezamenlijk wordt gewerkt aan eenduidige werkwijzen en aan de kwaliteit van de antistollingszorg.
Het Transmuraal Trombose Expertisecentrum Groningen zet erop in om  patiënten met trombose door de huisarts of trombosedienst te laten behandelen waar het kan, en door de medisch specialist waar dat nodig is. Het centrum is 7 dagen per week, 24 uur per dag bereikbaar voor huisartsen en medisch specialisten die advies willen over patiënten met een complex ziektebeeld, alsook voor patiënten met vragen over hun antistollingsbehandeling. Verder richt het expertisecentrum zich op het regionale gebruik en het evalueren van de richtlijnen voor trombosezorg.
Daarnaast vindt er wetenschappelijk onderzoek plaats en wordt er onderwijs gegeven. Goede voorbeelden en wetenschappelijke kennis worden gedeeld in het zorgnetwerk. Door regionaal samen te werken aan optimale kwaliteit en veiligheid van de antistollingszorg, wordt het aantal complicaties verminderd en worden onnodige ziekenhuisopnames voorkomen, wat de zorg goedkoper zal maken.

 

Laatste nieuws